“Het boek was beter” – Over wiskunde apps

Staatssecretaris Dekker van onderwijs is een nationale brainstormsessie begonnen met de hashtag #onderwijs2032. Eén van de vragen die naar boven komt is: welke plaats krijgt ICT in het onderwijs? En hoe staat het met de wiskunde apps?

Over digitaal onderwijs in het algemeen is al veel gezegd. Het gebruik van ICT in het PO en VO neemt toe [Stichting leerplanontwikkeling (SLO), 2010]. In een van mijn vorige blogs schreef ik al kort iets over onderwijs in 2025. Uit onderzoek blijkt dat veel docenten op zoek zijn naar software en materialen die ingezet kunnen worden [Zwaneveld & Rigter, 2009] [Giling & Van der Laan, 2005]. In deze blog wil ik specifiek in gaan op de apps in het wiskundeonderwijs op het vmbo. Daarbij stel ik mezelf drie vragen: Welke apps zijn er?, Welke apps hebben we nodig? en Wat moet er gebeuren?

2015

Wat is er? Zoals gezegd zijn we dit jaar op onze school begonnen met chromebooks. Sinds begin van het schooljaar ben ik op zoek naar apps die ondersteuning bieden bij de wiskundelessen. Anders dan bij talen of zaakvakken is er bij wiskunde behoefte aan specifieke apps.

Het resultaat is mager. De meeste apps voldoen inhoudelijk en didactisch niet [Stichting leerplanontwikkeling (SLO), 2010], vooral voor vmbo-ers. Voorbeelden hiervan: rekenlessen.nl en digitaalrekenboek.nl. Van de apps die wel voldoen zijn de meeste niet gebruiksvriendelijk (zoals de apps van de DWO en WikiWijs) of technisch beperkt (fflerenrekenen.nl).
Software is in, tegenstelling tot wat Drijvers zegt [Drijvers, 2011], meestal nog niet volwassen (denk aan de digitale methode van Getal&Ruimte) of juist ver over de datum (denk aan de applets van WisWeb).

Wat is wél bruikbaar? GeoGebra werkt erg prettig, al is de koppeling met Google Classroom nog niet vlekkeloos. Voor het afnemen van eenvoudige toetsen is Google Forms een goede oplossing (eventueel in combinatie met een eigen chrome-app). Leerlingen werken samen aan documenten en presentaties met Google Docs. MathPlus heeft op dit moment al wel materiaal ontwikkeld voor havo/vwo, helaas nog niet voor het vmbo. En op YouTube zijn waanzinnig veel bruikbare instructievideo’s te vinden.

2032

De ideale leeromgeving ziet er wat mij betreft als volgt uit, daarbij geïnspireerd door anderen [Simons, 2005]:

  • Er is een schoolbrede, vakoverstijgende ELO (elektronische leeromgeving);
  • Op deze ELO staan instructievideo’s voor de leerling;
  • Binnen deze ELO maakt de leerling opdrachten met behulp van diverse apps:
    • voor meetkunde een GeoGebra variant die meer geschikt is voor vmbo-ers;
    • voor algebra en analyse een app waarmee sommen stap-voor-stap uitgewerkt kunnen worden (zoiets als de software van de DWO maar dan beter);
    • voor rekenen een app waarmee leerlingen leren rekenen met de basisschooldidactiek als start;
  • Aanwezigheidsregistratie, huiswerk/studiewijzers en cijfers staan in Magister of SOMtoday;
  • Het (samen) maken en inleveren van opdrachten en toetsen met bijvoorbeeld Google Education / Google Classroom of Edmodo;

Voorwaarden:

  • Alle onderdelen zijn onderling met elkaar verbonden zodat data niet handmatig overgezet hoeft te worden;
  • De ELO is up-to-date qua techniek en design, gebruiksgemak staat centraal;
  • Leerlingen leren zelfstandig vanuit de ELO (de uitgevers kunnen een voorbeeld nemen aan een website als codecademy.com of robomindacademy.com);

2015 – 2032

Bij alle nieuwe digitale wiskunde-methodes die ik tot nog toe zie, denk ik “Het boek was beter”. Wat moet er gebeuren? De sleutel tot verandering ligt bij de uitgevers.

Over de apps: De uitgevers (Noordhoff, Malmberg) moeten wakker worden. Zelfs de laatste updates van digitaal lesmateriaal zijn niet om over naar huis te schrijven. ICT in de les betekent niet automatisch dat het leerrendement hoger is [Doorman, 2013]. Uitgevers roepen om het hardst hoe geweldig hun apps zijn, maar op de digitale snelweg worden ze links en rechts ingehaald door professionelere websites als Mathplus, MathUnited en Rekenblokken. Pas als de apps beter zijn en betere resultaten opleveren dan papier, potlood en geodriehoek zullen wiskundedocenten overstappen.

Wat betreft de video’s: De uitgevers kunnen twee dingen doen: óf ze gaan snel aan de slag om zelf hun audiovisuele content te produceren, óf ze kopen de video’s in van anderen. Een rondje op YouTube laat zien dat er iedere dag nieuwe instructievideo’s worden geüpload. De heren van ed YouTube-kanalen Wiskundeacademie, Jan Willem Eckhardt en HMeihuizen laten zien dat de instructievideo’s volwassen zijn geworden. Het lijkt mij het beste als de uitgevers hún video’s inkopen; hiermee krijgen de makers van instructievideo’s op YouTube iets terug voor de moeite, daarnaast leveren de YouTube-docenten meer kwaliteit.

2032 is nog ver weg. Er moet nog veel gebeuren. Grote internetbedrijven hebben de uitdaging op zich genomen, samen met docenten door het hele land. En hoewel de digitalisering van het onderwijs nog in de kinderschoenen staat, ziet het resultaat er veelbelovend uit.